Woensdagen. Ik zie ze al van verre aankomen en voel de vermoeidheid op voorhand. Als ik me al aankleed, dan meestal pas ergens in de middag, als de dag al half voorbij is. Maar op woensdag moet het om 11:45 gebeurd zijn. Aangekleed, tanden gepoetst. Dat lijkt misschien niks, maar geloof me: het is een missie. Mijn lijf komt voor 11 uur met moeite uit bed, en haasten is vragen om problemen.
En dan sta ik daar, op school. Niet alleen maar om op te halen—nee, woensdagen zijn speeldagen. Soms bij een ander, soms hier. En dat gun ik mijn dochter, natuurlijk. Maar pittig is het wel. Ook als ze ergens anders speelt trouwens, want dan gaat de wekker om haar op te halen, en komt er weer zo’n sociaal moment bij. Als er hier een vriendje over de vloer komt, voel ik de drang om tóch nog even te stofzuigen. Niet slim, veel te veel. Maar ja, ik doe het toch. En dan heb ik ook nog moeite om mijn rustmomenten te pakken, want ontspannen terwijl er een extra kind door het huis banjert? Vergeet het maar.
Als dat hoofdstuk is afgesloten, begint het volgende: mijn vader komt langs. Hij neemt mijn jongste mee naar atletiek, en als ze terugkomen: nog een sociaal praatje. Niet lang, hij houdt rekening met mij. Het is echt een lieverd. Maar toch, wel weer een sociaal praatje.
En dan, vlak daarna, komt de dochter van mijn man. Ze is er maar één dag per week, maar haar aanwezigheid verandert de dynamiek. Niet haar schuld, niet van ons—het is gewoon zo. Het huis voelt voller, drukker. En dan die parfum waarin ze zich doucht… Mijn lijf protesteert.
Niet veel later is het hele huis compleet. Man, drie kinderen, drie katten en ik. Het geluid, de energie, de prikkels—alles loopt vol. Mijn slaapkamer grenst aan die van mijn oudste, waar de dochter van man slaapt als ze er is. Normaal hoor ik niks, maar samen zijn ze gezellig. Heel gezellig. Wat betekent dat er geen plek in huis meer écht stil is.
Ja, woensdagen zijn slopend. Maar ik weet ook: als ik ze niet had, zou ik mijn dochter minder zien opbloeien met haar vriendjes. Zou ik mijn vader waarschijnlijk nog maar zelden spreken—want ik ben al zo vaak te moe. Dus daar hou ik me dan maar aan vast.
Maar dat ze zwaar zijn? Dat is een feit.

Reacties
Een reactie posten